Maaike's verhalen

Extra informatie

Geplaatst op 28-9-2014 19:45:38

Onderwerp

Nieuwste berichten

  • #Comment.NoComments

#Comment.Button.SignInToComment

Lapjeskat

Moeizaam boent Marisol de lange gang tot de vloer glimt. Ze hoopt dat er op een dag iemand zal komen die haar meeneemt naar een liefdevol thuis.  Weg van de vrouw die ze Moeder moet noemen en helemaal niet aardig is, weg uit het weeshuis. Als ze maar hard genoeg haar best doet, zal haar wens vast uitkomen.

***

De sneeuw kraakt onder zijn voeten en het gekerm van de stervende komt dichterbij. Hij kijkt op de man neer die in de sneeuw ligt, omhuld door gerafelde kleding die niet bestand is tegen de winter. Er vormen ijskristallen rond de wimpers en de vingers van de man steken donker af tegen de vinger-loze handschoenen. Lapjeskat beweegt zijn eigen handen, – waar de kou geen vat op heeft – het is het laatste wat nog van hem is en daardoor vrij om opgeëist te worden. Een ruil voor een plek in het Hiernamaals voor de dode, wat daar ook mag zijn.
De man spert zijn ogen open, wanneer Lapjeskat bij hem neer hurkt. Als hij van de bekendheid zou genieten, zou de herkenning van de stervende een streling voor zijn ego zijn. Nu wenst hij een onbekende te zijn in het land waar de mens vol van leven hem niet kan zien, maar wel zijn naam kent. Lapjeskat pakt de hand van de man vast en mompelt: ‘Lapjeskat is mijn naam. Bent u bereid de prijs te betalen?’
‘Wat zal je er mee doen?’ fluistert de man.
‘Dat weet alleen de tijd. Als u niet betaalt, zal uw ziel nooit rust vinden.’
‘En ik zal eeuwig de kou in m’n botten voelen?’
‘Zeer waarschijnlijk. In het Hiernamaals wordt u herboren.’
‘Neem wat je nemen moet, jongen, voordat ik te koud ben om je toestemming te geven.’
Lapjeskat ziet de glinsteringen in de ogen van de man doven. Hij werpt een blik op de zwarte vingers en kijkt dan hij opnieuw naar zijn hand. Het laatste stukje huid dat nog van Lapjeskat zelf was, is zwart geworden en de gevoelloosheid bezorgt hem rillingen. In elk geval is de man behoed tegen een dolend leven zoals dat van hem.
 
Enkele dagen later bereiken nieuwe kreten van pijn en doodsangst hem. Deze keer klinken ze anders. Smekend, maar ook hoopvoller. Lapjeskat dwaalt door de straten van de stad, waar hij wacht op zielen die hun tol moeten betalen. De winter is altijd een periode geweest waarin de mensen van deze stad sneller het leven laten dan tijdens andere seizoenen. Alsof ze aan de kou willen ontsnappen. Terug naar de warmte van de zomer, al weet niemand wat er op hen wacht als ze deze plek voorgoed verlaten.
De lucht wordt door rook gevuld. Het grote herenhuis, waar wezen werken tot ze verkocht worden, waar meer kachels branden dan hout aan te slepen valt, wordt langzaam verteerd door hongerige vlammen. Met zoveel mensen in een pand hoort Lapjeskat toch slechts één jammerkreet.
Als hij dichterbij komt ziet hij de bewoners verkleumen in de sneeuw, terwijl de vuurzee schaduwen op hun gezichten werpt. Brandweerlieden haasten zich dichterbij om in de chaos de vlammen te bedwingen. Er worden emmers met water doorgegeven. Lapjeskat wringt zich tussen de mensen door. Niemand ziet hem, zij zijn niet stervende.

Lapjeskat stapt naar binnen en kijkt om zich heen. Op de vloer liggen plassen waar damp vanaf komt, zelf voelt hij de hitte bijna niet. Nauwelijks kan hij iets door de dikke rook zien, behalve de oplichtende vlammen die aan de balken likken. Hij laat zich op de grond zakken om aan de rook te ontsnappen, terwijl hij op het gesnik afgaat. Hoe kan het dat er maar één geen kans heeft gezien weg te komen?
Niet veel later staat hij in een slaapzaal met aan weerszijden stapelbedden en achterin zit een meisje snikkend in elkaar gedoken. Lapjeskat loopt naar haar toe. De vlammen likken aan haar huid, maar lijken haar geen pijn te doen. Net zoals hij toen hij stervende was; het water was overal om hem heen en benam zijn adem, maar dood ging hij niet. Niet echt dood, zoals andere mensen. Hij nam de rol van de vorige Lapjeskat over en bleef op aarde. Dit moet haar zijn, zijn opvolger. Ze kijkt hem met betraande ogen aan en hij voelt een vreemd gelukzalig gevoel in zijn buik.
‘Help me, alsjeblieft.’
Haar ogen zoeken naar de zijne en ze lijkt te schrikken van zijn uiterlijk. Hij kan het haar niet kwalijk nemen, hij is een gedrocht. Zijn haren bestaan uit minstens honderd verschillende strengen, allemaal van overleden zielen. Wijn- en moedervlekken sieren zijn hals en armen. Littekens, tatoeages en andere tekens bedekken zijn lijf. En zijn ogen, misschien dat er nog een spikkeltje kleur van zichzelf in zit, die het kleurenpalet compleet maken. Hij hurkt voor haar neer.
‘Hoe heet je?’
‘Marisol.’
Lapjeskat wil zich ook voorstellen – met zijn echte naam – maar bedenkt zich. Hij wil niet het risico lopen om de enige prijs die hij kan betalen voor de overtocht naar het Hiernamaals weg te geven en hier altijd te moeten blijven dwalen.
‘Ik ben Lapjeskat. Kom, voordat de boel instort.’
Hij pakt haar hand vast en neemt haar tussen de vlammen door mee naar buiten.
‘Ik ben dood, hè?’
Haar stem klinkt schor en als Lapjeskat geen antwoord geeft, vult ze de stilte zelf in. ‘Mijn moeder zei dat je zou komen. Oma en vader hebben je gezien, ze fluisterden tegen iemand voordat ze stierven. Iets over een prijs die betaald moest worden. Wat moet ik jou betalen?’
‘Niets,’ antwoordt Lapjeskat na een tijdje. ‘Jij bent anders. Je bent niet dood, maar je leeft ook niet meer. Nu ben je nog jezelf, maar straks is alleen je naam nog écht van jou.’
‘Daar heeft m’n moeder nooit iets over gezegd. Ze zei dat als je de prijs betaalde, je herboren zou worden in het Hiernamaals. Hoe is het daar?’
‘Geen idee, ik ben er nog nooit geweest.’
‘Maar je bent dood, of ben je een dolende ziel die zijn prijs niet betaald heeft?’ Ze kijkt hem verschrikt aan.
‘Nee, ik ben Lapjeskat. Men betaalt de Lapjeskat om naar het Hiernamaals te mogen. En soms sterft er iemand die die taak overneemt.’ Lapjeskat kijkt naar Marisol. ‘Jij wordt de nieuwe Lapjeskat.’
Voordat Marisol er iets tegenin kan brengen, vertelt hij verder. 
‘Maak je geen zorgen, ik zal je alles uitleggen en op een dag ontmoeten we elkaar weer, als jij het stokje doorgeeft.’
‘Wat als ik niet wil?’
‘Dan doolt je ziel eeuwig rond, en niet alleen die van jou.’ Lapjeskat kijkt naar het pand dat onder luid gekraak in elkaar stort. ‘Ik kan geen doden meer laten betalen.’ Hij maakt een gebaar naar zijn lichaam, bestaande uit vele verschillende identiteiten. ‘Ik kan alleen nog mijn overtocht betalen, maar als jij niet mijn plaats in neemt, zal ik eeuwig ronddolen. En vele anderen ook.’
Zwijgend kijken ze naar de laatste vlammen die langzaam doven. De mensen die toekeken, keren de bouwval de rug toe en gaan terug naar huis. Lapjeskat houdt Marisols hand vast. Ze geeft hem op de een of andere manier een gelukkig gevoel. Iets wat hij nog nooit eerder heeft ervaren. Het liefst blijft hij bij haar, maar dan zal hij nooit rust vinden. Alleen hij kan het stokje doorgeven. Het laatste wat hem rest is om haar te leren wat ze moet doen.

***

Haar naam is het enige wat altijd van haar zal blijven. Nu en in het Hiernamaals. Dat is alles wat hij wist over later, waar hij op haar zal wachten. Het is een speciale taak voor de dappersten onder hen, heeft hij haar uitgelegd. Maar zij weet niet of ze dapper genoeg is om al die stervende mensen te vragen een prijs te betalen. In haar hoofd klampt ze zich vast aan haar eigen naam en die van hem. Ze zal ze opzeggen, bij het ontwaken van de dag en wanneer de wereld zich in het duister hult, als een mantra. Want op een dag zal haar naam de prijs zijn om in die andere wereld te komen en bij hem te kunnen zijn.
‘Elvian,’ fluistert ze. ‘Marisol.’
Ze voelt een aangenaam gevoel in haar buik als ze aan hem denkt. Hoewel ze hem nauwelijks kent, weet ze dat ze eeuwig bij hem wil blijven.
De hemel kleurt geel, terwijl de zon omhoog klimt. Ze haalt diep adem en luistert naar de stilte. Het zal niet lang duren voordat de eerste jammerkreet haar bereikt. Ze laten nooit lang op zich wachten, heeft hij uitgelegd, en het kan haar niet snel genoeg gaan. Elke stervende brengt haar dichter bij hem.
Terwijl ze uitademt, hoort ze hoe de stilte wordt verstoord en ze aan de slag moet. Ze dwaalt door de stad en al snel vindt ze wie ze zoekt.
‘Hallo,’ fluistert ze, terwijl ze de stervende nadert. ‘Lapjeskat is mijn naam. Bent u bereid uw prijs te betalen?’

***

Achtergrond informatie

Dit verhaal is geschreven voor de Fantasy Strijd Brugge IV, waarvan de uitreiking in september 2014 van. Er deden 259 mensen mee en mijn verhaal eindigde op de 31ste plek met een punten gemiddelde van 8,29 en lovende feedback van de juryleden.

Achtergrond: Zwitserland, Nendaz, in de buurt van Lac de Cleuson (2010)