Maaike's verhalen

Extra informatie

Geplaatst op 11-8-2013 14:57:36

Onderwerp

Nieuwste berichten

  • #Comment.NoComments

#Comment.Button.SignInToComment

Het jongste roverslid

De opkomende zon laat de ijsvlakte schitteren als een gouden plaat. Yorinda glimlacht, ze zit op haar hurken aan het bevroren meer. En duwt met haar vingers op het koude oppervlak. Volgens Gero is het levensgevaarlijk om er overheen te lopen, maar hier is het net zo hard als de grond. Ze werpt een blik achterom, Gero is nog ver weg.
Ifo en Gero’s stem klinken nog zacht. Dit is het uitgelezen moment om een paar stappen op het ijs te zetten, zonder dat hij het zal merken. Yorinda komt overeind en zet haar voet op de bevroren oever. Met haar armen gespreid loopt ze glibberend stapje voor stapje verder. Af en toe kraakt het ijs onder haar voeten.
‘Yorinda! Kom onmiddellijk van dat ijs af!’ Gero’s stem schalt over het meer, dat zich weids uitspreid tussen het bos van kale bomen.
Voorzichtig draait Yorinda zich om en glibbert terug naar Gero en Ifo.
‘Het is helemaal niet gevaarlijk, hoor. Het kraakt alleen maar, net zoals hout. Maar dat breekt ook nooit.’
‘IJs is net zoals glas, niet bedoelt om op te lopen. Hoe oud ben je eigenlijk?’ vraagt Ifo spottend.
‘Oud genoeg om..’
‘We hebben werk te doen, je weet wat Nimmo gezegd heeft. Hij wil niet dat we terugkomen zonder de diadeem.’
Yorinda knikt. Ja, Nimmo, leider van het rovershol, is heel duidelijk geweest. De diadeem schijnt heel veel waard te zijn. En Nimmo wil in geen geval teleurgesteld worden. Dat ding kan zoveel opleveren dat er een deal met de wachters van de stad gesloten kan worden. Dan hoeft Yorinda zich geen zorgen meer te maken om de poortwachters. Ze zorgen altijd voor problemen, alsof ze precies weten of er iets door haar gestolen is.

De sneeuw ligt er nog onaangeraakt bij, als het drietal door het bos wandelt richting de stad. De zon schijnt tussen de kale boomtakken door.
‘Weet je waar we moeten zijn?’ vraagt Yorinda nieuwsgierig.
Gero knikt naar zijn kleine maatje. Het jongste lid van het rovershol en uitermate geschikt voor het oplossen in de menigte door haar kleine formaat en nog onbekende gezicht. Ze is alleen wat onhandig.
‘En je weet jouw taak?’ vraagt Gero.
‘De diadeem verstoppen en zo snel mogelijk naar huis!’
‘En als je niet de stad uit weet te komen?’ vraagt Ifo.
‘Dan duik ik het riool in. Dat komt bij de haven uit en..’ zegt Yorinda vrolijk.
‘Dan verstop je je vlak bij de poort en wacht je tot het veilig genoeg is,’ valt Gero haar in de reden. ‘Het riool is een doolhof en ik heb geen zin om je in die stinkende put te moeten gaan zoeken. Begrepen?’
Yorinda knikt. Dat is niet al te moeilijk, er zijn zat verstopplekjes vlakbij de poort. Eigenlijk is het ook niet zo lastig om weg te komen, rond dit tijdstip wemelt het van de reizigers, boeren en kooplui die de stad in en uit willen. Het is een kwestie van opgaan in de menigte.

Zonder problemen lopen ze onder de poort door, als ze de stad binnen treden. Terwijl ze zich door de stad voortbewegen worden de brede straten naar het marktplein steeds smaller en viezer.
De gewone werkershuisjes staan op elkaar gepropt en voorkomen dat de grond daglicht krijgt. Er is nauwelijks sneeuw te vinden. Na het doolhof van kleine straatjes en steegjes komen ze in het rijkere gedeelte. De straten worden breder en de lucht is te zien. De sneeuw is door vegers aan de kant geveegd en ligt als dijkjes tegen de hekken van de villa’s. Keurige dames lopen in sjieke jassen en rokken, met opgetrokken neuzen langs. Yorinda kijkt hen geïnteresseerd na.
Gero trekt haar zachtjes mee naar een grote witte villa met een lange oprijlaan. Er staat een koets voor de deur met een tweetal briesende paarden.
‘Jij wacht hier,’ zegt Gero zacht, terwijl hij een paar munten in haar hand duwt. ‘En probeer niet op te vallen.’
Gero en Ifo lopen de straat verder uit en slaan een hoek om. Yorinda hipt van haar ene been op haar andere, als een koude windvlaag haar tegemoet komt. Dan draait ze zich om en loopt een bakker binnen om een snee warm brood te halen. Of misschien zelfs een gebakje!

Genietend van een broodje dat net uit de oven komt, kijkt Yorinda dromerig naar buiten. Het zou wel even duren voordat ze terug komen. Als jongste lid van de rovers, heeft ze alleen simpele klusjes. Vaak gaat ze alleen mee om over te komen als een gezellig gezinnetje. En  thuis in het rovershol krijgt ze vooral huishoudelijke klusjes die niemand wil doen.
Het wachten op Gero is eigenlijk het leukst. Hij geeft haar meestal een paar munten waar ze iets lekkers van mag halen, in de verwachting dat ze met de buit in het rovershol terugkeert. Dat wel.

Haastig stopt ze het laatste stukje brood in haar mond en verlaat de winkel. Gero komt aangelopen, fluitend en wel. Met haar handen in haar zakken loopt ze van hem weg, heel rustig zodat hij haar kan inhalen. Hij botst tegen haar aan en laat de diadeem in haar zakken vallen.
‘Lopen!’ fluistert Gero, en hun wegen scheiden zich. Alsof er niets gebeurt is, loopt Yorinda richting de poort.
Het is er nog steeds druk, de wachters hebben moeite om alle mensen in de gaten te houden. Ze gaat vlakbij een boer lopen die met een kar langs de wachters loopt. Yorinda kijkt star naar de grond, tot ze de poort onderdoor is. Nog een paar meter tot ze bij de bosrand is, vanaf daar is de regel dat ze naar huis rent.
‘Halt!’
Altijd doorlopen, doe maar net of je stom bent, dat was een vuistregel van Gero. Wat er ook gebeurt, ze moet van hem doorlopen, net zolang totdat ze is opgelost in de omgeving.
‘Blijf staan zei ik!’
Het moet een wachter zijn, met zo’n dreigende en bevelende stem. Ze verandert haar pas in rennen richting het bos. De sneeuw en de kale bomen zullen niet voor camouflage zorgen, maar de wachters zullen vast de weg niet kennen. Als ze snel genoeg is, raakt ze de wachters vast kwijt.
Achter haar klinken de zware dreunende voetstappen een wachter. Hij zal vast moe worden van zijn harnas en zwaard.
‘Halt!’ roept hij, iets minder intimiderend.
Yorinda zigzagt tussen de bomen door. Ze werpt een blik achterom. Het zijn er twee! Maar waar zijn Gero en Ifo om haar te helpen? Ze kan niet naar het rovershol gaan, dat ligt verscholen.
Hijgend komt ze bij het bevroren meer aan. Ze kan er omheen, maar dat is zo’n lange weg. En waar moet ze daarna heen? Misschien durven de wachters niet het ijs over te steken en laten ze haar gaan? Ze rent zonder er verder bij stil te staan het ijs op. Haar voeten glibberen en glijden onder haar vandaan. Met een klap komt ze op het ijs. Verschrikt blijft ze stil liggen, wachtend tot het breekt. Er gebeurt niets, het kraakt alleen.
Ze werpt nog een blik achterom en ziet de twee wachters voorzichtig op het ijs komen. Half kruipend en glijdend gaat Yorinda verder het meer op. Het ijs begint steeds meer te kraken. En er liggen steeds meer ijskoude laagjes water. Yorinda bijt op haar lip, als haar handen door de kou gebeten worden.
Het ijs begint te trillen van de voetstappen achter haar. De harde ondergrond onder haar, begint steeds harder te protesteren. De wachters blijven twijfelend stilstaan.
De jonge rover geeft een gil van schrik. De grond onder haar verdwijnt. Het koude water sluit zich om haar heen. Ze trapt in paniek met haar benen om zich heen. Yorinda weet naar het wateroppervlak te komen maar er is ijs boven haar. Waar is het wak? De jonge rover kan het niet vinden. Lucht! Ze wil zuurstof. In een verstandsverbijstering opent ze haar mond om een hap lucht te nemen, in plaats daar van vullen haar longen zich met ijswater.

De twee wachters kiezen eieren voor hun geld en verdwijnen richting de stad. Lafaards!
Het ijs kraakt onder zijn voeten. Om zijn middel zit een touw geknoopt. In zijn ene hand heeft hij een kleine dolk. Vlakbij het wak, slaat hij hard op het ijs met de dolk. Het breekt.
Gero gaat op zijn buik liggen en graait in het water. Hoe onhandig ze ook is, Yorinda heeft een overlevingsinstinct. Ze zal nog niet verdronken zijn.
Hij voelt iets groots, dat langzaam van hem af zinkt. Hij weet het vast te pakken en omhoog te trekken.
‘Trekken!’ schreeuwt hij over het meer heen.
Het touw dat slap op het ijs lag, wordt strak getrokken. Terwijl hij langzaam over het ijs glijdt, trekt hij Yorinda uit het water. De kleur is helemaal van haar gezicht verdwenen. Pas als ze op de kant liggen begint Gero op haar buik te duwen, het water moet er uit.

Het lijkt eeuwen te duren voordat er een ademhaling is. Er lijkt meer en meer water uit haar longen te komen, dan mogelijk lijkt.
‘Ik denk dat ..’ begint Ifo.
‘Nee!’ zegt Gero. ‘Ze leeft!’
Yorinda hapt naar adem en begint te hoesten wat over gaat in een rillen. Gero trekt het ijslichaam tegen zich aan.
‘Wat had ik nou gezegd, hm?’
Yorinda wil iets antwoorden, maar Gero legt zijn vinger op haar lippen voordat hij haar optilt en ze naar het rovershol lopen.

Warme dekens worden om haar heen gelegd. Haar tanden houden niet op met klapperen.
‘S.. so..rry,’ fluistert Yorinda tegen niemand in het speciaal.
Ze rolt zich op tot een balletje.
‘Heeft ze de diadeem of ligt die nu op de bodem van het meer?’
‘Zat nog in haar zak. Hij is nu mooi schoon,’ grijnst Gero als hij Nimmo het glimmende sieraad aangeeft. Het is van zilver gemaakt met in het midden een grote robijn. Soepel valt het in de hand Nimmo. Ieder onwetende ziel zou het uitmaken voor een dure ketting.
‘Verzorg haar goed,’ zegt Nimmo voordat hij de ruimte verlaat.
Gero hurkt naast het bed van Yorinda neer.
‘Doe me dat nooit meer aan, beloofd? Wat je ook voor klunzige acties ook voor me in petto hebt, je gaat niet meer het ijs op.’
Yorinda knikt langzaam.
‘B..Be..loofd.’

Achtergrond: Zwitserland, Nendaz, in de buurt van Lac de Cleuson (2010)