Maaike's verhalen

Extra informatie

Geplaatst op 9-11-2013 22:24:19

Onderwerp

Nieuwste berichten

  • #Comment.NoComments

#Comment.Button.SignInToComment

Experimenteel vervloekt

In een afgelegen straat, staat een huis. Vervallen, oud en verlaten. Niets is minder waar, in het huis woont een meester. Zij die op haar terrein waagt, zal een nieuw experiment worden tot in de eeuwigheid.

Er klinkt een schot door de verlaten steeg waar Domino doorheen rent. Hij voelt hoe de kogel zijn lijf binnendringt. Domino valt op zijn knieën. Duwt zijn handen tegen zijn buik aan. Hij ademt koortsachtig. Achter hem valt iets metaalachtig op de grond. Hij kijkt verschrikt achter zich. Een kogel ligt achter hem en is tot stilstand gekomen. Domino tilt zijn handen van zijn buik. Geen bloed. Hij ritst zijn jas open. Geen donkere vlek op zijn shirt. Als hij zijn shirt omhoog trekt ziet hij allen zijn witte buik. Angstig glijdt hij met zijn vingers over zijn ongeschonden huid. Hij had de kogel gevoeld!

Dat meisje … ze had gelijk gehad. Hij is vervloekt! Domino ritst zijn jas dicht en rent half struikelend de steeg uit. Hij had dood moeten zijn of op zijn minst moeten bloeden.
Hij rent een drukke straat op. Weet nog net een paar auto’s op het late tijdstip van de avond te ontwijken. Aan de overkant van de straat leunt hij tegen een lantaarnpaal aan om even op adem te komen. Zijn oren suizen een beetje. Zijn buik zit vol steken en voor zijn ogen verschijnen zwarte vlekken. Domino zakt op de grond. Duwt zijn trillende vingers tegen zijn oren. Hijgend haalt hij adem. Hier heeft Domino nooit omgevraagd! Als de jongen had geweten wat er zou gebeuren met hem, had hij het nooit meegenomen. Maar Domino was eigenwijs en het katmeisje was slechts een verbeelding geweest. Ja toch? Katten konden niet half dier en half mens zijn en dan ook nog eens verstenen! Maar dit … dit kan ook niet.
Er heerst een wervelstorm in het hoofd van Domino. Langzaam glijdt zijn hoofd tussen zijn handen door en rust op de stenen stoeptegels. De wereld vervaagt. In de verte ziet hij rode en blauwe flitsen. Ver weg klinkt een gillende sirene. Hij voelt hoe sterke armen hem overeind trekken. De rest, is een zwart gat voor Domino.

Als Domino wakker wordt ligt hij in een ziekenhuisbed. De kamer lijkt allerminst op een kamer van het ziekenhuis. De muren hebben een donkere kleur en er hangen schilderijen vol met foto’s. In de hoek staat een simpele houten stoel. Het katmeisje kijkt hem aan. Ze kijkt net zo versteend als de eerste keer dat hij haar zag. Haar katten oren en snorharen bewegen niet. Het katmeisje knippert zelfs niet met haar grote gele ogen. Ze lijkt ergens op te wachten.
‘Waar ben ik?’ vraagt Domino.
‘In het huis van de meester…,’ zegt het Katmeisje. Haar ogen gaan even naar de schilderijen en kijken daarna Domino weer aan. ‘… kom je alleen als je vervloekt bent.’
‘W… wat?’ stamelt Domino. Hij komt verschrikt overeind. ‘W…wat?’ herhaalt hij.
‘Steel uit het huis van de meester en je wordt gestraft, voor altijd.’
Hij kijkt het meisje met grote ogen aan. Ze komt steeds heel even tot leven, zo lijkt het. Haar ogen gaan glinsteren en haar snorharen trillen even. Totdat ze weer zwijgt en alles weer bevriest, dan lijkt ze net een wassenbeeld of een rare Halloween paspop.
‘Ik breng het terug! Ik beloof het!’
‘Te laat. De meester doet niet aan vergeven.’
Domino stapt uit het bed. Zijn benen voelen vreemd en slaperig aan. Dan voelt hij het bloed terug stromen naar zijn tenen. Hij loopt naar de schilderijen toe. Overal staan mensen op. Ze lijken bang, doodsbang. Net zoals hij. Domino houdt zijn adem in als hij zichzelf op een van de foto’s ziet. Een lijkbleke tiener op zijn knieën in een verlaten steeg.
Hij was helemaal alleen in de steeg geweest! Waar was eigenlijk de kogel vandaan gekomen als Domino alleen was? Hij kijkt twijfelend naar het katmeisje. Had zij dit op haar geweten?
‘Ben jij vervloekt?’ vraagt hij aarzelend.
‘Ja.’
‘Heb je ook gestolen uit het huis waar ik je eerder heb gezien?’
‘Dat is dit huis.’
Ze staat op en loopt naar Domino toe. Ze gaat vlak voor hem staan.
‘Drie jaar geleden bracht ik kranten rond. In alle vroegte en in alle rust. Ik legde de krant netjes op de stoep. De stad sliep nog, echter de meester niet. Ze wacht op het juiste moment. Soms straft ze je, soms ben je slechts een experiment.’
‘Drie jaar?’
Het katmeisje knikt. Domino’s ogen proberen door het halve kattengezicht heen te kijken. Opzoek naar het echte gezicht van het meisje.
‘Wat heb je fout gedaan?’
‘Niets. De meester vindt dat als je op haar terrein komt, je van haar bent. Eenmaal een experiment, dan kun je nooit meer ontsnappen.’
Het katmeisje loopt de kamer uit. Domino werpt een blik op de foto’s.
‘Wacht!’ roept Domino. Hij haast zich achter haar aan. ‘Hoe heet je?’
‘Angelica.’
Het katmeisje klimt een ladder op richting de zolder. Domino besluit om haar te volgen. Op de zolder is het bomvol. Overal staan kasten, meubels en prullaria. Angelica baant zich voorzichtig een weg tussen de spullen door. Domino volgt haar ietwat onhandig. Hij komt in een slaapzaaltje uit met een groot raam. Het loopt in een punt naar de nok toe. Er staan vier bedden. In twee bedden liggen mensen. Behalve de bedden is niets in de kamer.
Angelica loopt naar het achterste bed vlakbij het raam. Ze buigt zich over de deken heen en mompelt wat. Domino volgt haar bewegingen terwijl ze naar het raam loopt en neerstrijkt op de vensterbank. Hij kijkt toe hoe ze langzaam versteend. Nog meer dan hij eerder heeft gezien. Haar huid wordt grauw als steen, zelfs de kleur verdwijnt uit haar ogen. Haar pluizige oren die tussen haar haren door steken zijn niet langer een zachte vacht die je wil aaien. Grauw als steen.
‘Kijk niet zo naar haar, Angelica houdt daar niet van!’
Domino wendt zijn ogen naar de hoek waar de stem vandaan kwam. Een jongen kruipt onder de dekens vandaan. Hij loopt naar Domino. Hij moet ongeveer even oud zijn als Domino. Hij is onherkenbaar als een jongen. Grote lange tanden steken uit zijn mond. Zijn wenkbrauwen zijn groot en harig. Zijn ogen zijn zwart. Zwarte gaten. Zijn haren zijn net zo zwart en steken alle kanten op. De jongen stopt zijn handen die meer op klauwen lijken in achter zijn rug.
‘Staar niet zo. Na een tijdje wordt je net zo onherkenbaar.’
Domino kijkt zwijgend naar de grond. Daarna kijkt hij nogmaals de kamer rond, hij kan niets vinden waar hij zijn aandacht op kan richten.
‘We zijn experimenten. Dat waren we niet, dat zijn we geworden. Door simpel op het land van de meester te komen. Wat ben jij geworden?’
Domino kijkt naar de zwarte ogen van de jongen. Zou de jongen hem geloven als hij vertelde over de kogel die dwars door hem heen ging? Raarder dan een versteend katmeisje kon dat toch niet zijn?
‘Er was een schot en een kogel ging dwars door mij heen,’ zegt Domino.
‘Heb je de kogel nog?’
Domino kijkt de jongen verbaasd aan. Hij voelt even in zijn zakken. Ja, die had hij. Wanneer had hij die opgepakt? Hij was zo hard weggerend dat hij die kogel echt vergeten was. Hij haalt hem uit zijn jaszak. En laat hem aan de jongen zien. Op de kogel staat een woord: ‘vervloekt’.
‘Ja, dat dacht ik al. Je wordt net zoals ons.’
‘Ons?’ vraagt Domino.
‘Ja, ons. Een kat, een monster en,’ de jongen kijkt even naar een bed, ‘ja, daar we zijn er nog niet over uit.’
‘En ik?’
‘Misschien verandert ze jou niet een dierlijk wezen. Ik vraag me alleen af waarom ze iemand heeft gepakt die niet bij het huis was.’
‘Ik … ik heb iets gestolen,’ bekend Domino.
‘Gestolen? Wat dan? Hier in dit huis?’
Domino knikt.
‘Ik wilde indruk maken op wat vrienden.’ Domino voelt even in zijn zakken. Hij haalt er een klein doosje uit. Het is van glimmend hout gemaakt, er staan getallen op de boven kant van het doosje. De jongen zet verschrikt een stap achteruit. ‘Dit. Het zag er waardevol uit.’
‘Angelica,’ fluistert de jongen. ‘Angelica!’
Angelica komt langzaam in beweging. De grijsheid verdwijnt. De kleur komt terug in haar ogen. Haar snorharen trillen even en haar oren worden weer pluizig. Ze loopt naar Domino en de jongen.
‘Waar heb je dat gevonden?’
‘In een werkkamer,’ zegt Domino.
‘Dat zoeken we al heel lang,’ fluistert de jongen.
‘Jimmy!’ klinkt er een kinderstem vanonder de dekens. ‘Het is niet in het huis!’
Domino kijkt niet begrijpend naar de dekens.
‘De meester heeft verteld dat er een middel is om weer normaal te worden,’ zegt Jimmy. ‘We hebben overal gezocht en het nooit gevonden.’
Angelica pakt het doosje uit zijn handen. En schudt er zachtjes mee.
‘Wat is het dan?’
De dekens worden van het bed gegooid. Een klein meisje kruipt naar het voeteneind. Ze heeft overal blauwe lijntjes over haar huid lopen, alsof iemand een pen heeft gepakt en een kunstwerk van haar gemaakt heeft. Hier en daar zijn sterretjes getekend. Ook het meisje heeft snorharen net zoals Angelica.
‘De tijdskist,’ fluistert het kleine meisje. ‘Snel draai de wijzers terug!’
Angelica houdt het doosje twijfelend vast. Domino kijkt het drietal niet begrijpend aan.
‘Wacht, als ik de tijd terug draai vergeten we alles,’ zegt Angelica. Haar huid verandert naar steen. De kleur in haar ogen vervaagt. Het doosje versteent mee.
‘Angelica kan niet al te lang levend blijven,’ legt Jimmy uit. ‘Chloë, waar heb je het papier gelaten?’
Het kleine meisje stapt uit het bed en verdwijnt de zolder op. Even later komt ze terug.  Jimmy schrijft een datum, een tijd en een plaats op het papier. Vier keer het zelfde. Daarna scheurt hij het in stukken geeft Chloë een stukje en een stukje aan Domino.
‘Dat tijdstip is het enige moment dat je kunt zien dat je het niet hebt gedroomd,’ zegt Jimmy. ‘Kies wijs of je komt. Als Angelica weer ontsteent draaien we de wijzers terug.’
‘En dan komen we nooit meer bij het huis!’ zegt Chloë.
Domino gaat op het bed zitten. Wat gebeurt er? Waar is hij belandt? Is dit een nare droom of is het echt?

Het suizen begint weer en er komen vlekken voor zijn ogen. Hij duwt zijn handen tegen zijn oren. Er zijn steken in zijn maag. Het zachte bed lijkt te verdwijnen onder hem daar in de plaats komt een harde koude vloer. Er zijn zwaailichten vlakbij hem. Sterke handen pakken hem vast.
‘Kom jongen!’ klinkt er ver weg. ‘Wakker worden!’

Domino opent zijn ogen. Hij is in een ziekenhuisbed. In een kamer van het ziekenhuis. Met snoertjes aan zijn armen en bliepjes. Tegen de muur van het ziekenhuis leunt een slungelige jongen. Domino herkent hem. Het is Job, zijn beste maat.
‘Man, ik had niet gedacht dat je zou flauwvallen van een klein inbraakje. En dan niet eens iets meenemen!’
Domino kijkt hem versuft aan. Zijn hand gaat naar zijn buik, zou het nooit gebeurt zijn? Was het een droom geweest?
‘Ze vonden een briefje in zijn handen. Maandag veertien juni 2020, half drie op de pier. Heb je dat gejat?’
Domino zwijgt en prent de datum zijn hoofd. Dat is over drie weken precies. Als hij wil weten of hij alles gedroomd heeft, moet hij er zijn.

Maandag veertien juni om precies half drie loopt Domino de pier op. Er zit een meisje aan het einde. Ze lijkt versteend, net zoals hij gedroomd heeft. Maar ze heeft geen kattenoren zoals hij zich herinnert. En ze lijkt ouder dan het katmeisje in zijn droom. Op een afstandje blijft hij staan.
Er komen twee mensen aangelopen. Domino kijkt even naar hen. Ook hen lijkt hij te herkennen uit zijn droom. Maar zij hem niet. Zwijgend staan ze elkaar van een afstandje te bekijken. Het meisje is opgestaan en haalt een papiertje uit haar jaszak.
‘Zijn jullie hier vanwege een briefje met een plaats?’ Het tweetal en Domino knikken. ‘En hebben jullie ook een droom gehad waar ik in voorkwam?’ Ze knikken weer. ‘Het was geen droom, hè?’
De jongen van het tweetal haalt een ander briefje uit zijn zak en geeft het aan het meisje en Domino.


“Zij die zich in het huis van de meester wagen,
Zijn gedoemd eeuwig te blijven,
Mits één de tijdsschijf vindt.

Vergeten en vergeven,
Zal de vloek verdwijnen.

Een gevoel van gemis,
zal blijven in het hart,
dat eens vervloekt was.”

Achtergrond: Zwitserland, Nendaz, in de buurt van Lac de Cleuson (2010)